architectuurstijlen

ART NOUVEAU/ JUGENDSTIL (1895-1905)

De Nederlandse “Nieuwe” Kunst manifesteert zich minder extravagant als die in België en Frankrijk. Kenmerken zijn: Bijzondere (geglazuurde) bakstenen, tegeltableaus, glas-in-lood. Daarnaast werden constructieve elementen (b.v. het “nieuwe” materiaal ijzer) op een geornamenteerde wijze zichtbaar gemaakt. De jugendstil wordt gekenmerkt door gestileerde, vaak asymmetrische motieven uit flora en fauna. De stroming kwam deels voort uit de Engelse Arts and Crafts-beweging, die het ambachtelijke handwerk promootte en ernaar streefde dat alle kunststromingen de krachten zouden bundelen om een Gesamtkunstwerk te maken, zoals een huis waarin alles – van de meubels tot het servies – op elkaar was afgestemd. Daardoor zijn de sierlijke lijnen en ranke vormen uit de Belgische en Franse art nouveau ook te vinden in glaswerk, typografie en meubels. Bekende Architecten: Johannes Mutters, L.A.H. de Wolf en Jan Willem Bosboom.

RATIONALISME (1900-1920)

Het rationalisme was in basis een sociaal georiënteerde stroming, waarbij de architecten met hun architectuur een betere wereld wilden realiseren. Dit moest gebeuren vanuit een collectieve, reproduceerbare, internationale architectuur, waarbij werd gewerkt met nieuwe materialen als beton, staal en glas. Er werden voornamelijk rechtlijnige gebouwen ontworpen, waarvan de constructies in het zicht werden gelaten en waarbij versieringen taboe waren. Regelmaat en eenheid worden belangrijk gevonden. De architecten ontwerpen gebouwen volgens een moduulmaat. Zo koos Berlage vaak voor een grid van 110 centimeter, gebaseerd op de door hem toegepaste baksteenformaat. Bekende Architecten: Hendrikus Petrus Berlage (foto) en Karel Petrus Cornelis de Bazel

EXPRESSIONISME / AMSTERDAMSE SCHOOL (1910-1940)

Rond 1910/1920 werd in Amsterdam, maar ook in andere delen van Nederland, veel gebouwd in een expressieve baksteenarchitectuur die bekend staat als ‘Amsterdamse School’. De stijl kent een sculpturale vormentaal en een rijk kleurgebruik. Ze zagen vooral expressieve dynamiek als trefwoorden van de moderne tijd, waren niet wars van ornamenten en beschouwden schoonheid als een eerste vereiste voor hun ontwerpen. Bekende Architecten: Piet Kramer, Michiel de Klerk, Egbert Reitsma, Cornelis Blaauw (foto)

NIEUWE HAAGSE SCHOOL (1920-1940)

De term Nieuwe Haagse School wordt voor het eerst gebruikt in 1920 door de Amsterdamse School-architect C.J. Blaauw in een niet al te positief artikel over de laatste ontwikkelingen in de moderne architectuur. Gebouwen van De Nieuwe Haagse school kenmerken zich door sobere baksteen muurvlakken die door betonnen gevelbanden, uitkragende (betonnen) luifels, keramische waterslagen, bloembakken en dakoverstekken een expressieve horizontale geleding kregen. De verticale geleding door torens, schoorstenen en hoogteverschillen in de bouwmassa's completeerden de veelal asymmetrische composities met lineaire elementen en vlakken. Het uitwendig geheel gaf daarbij op expressieve wijze uitdrukking aan de min of meer vrije ruimtelijke organisatie van de gebouwen. Bekende Architecten: Co Brandes, Willem Marinus Dudok (foto), Jan Wils, Dirk Roosenburg

DE STIJL (1917-1931)

Kunst- en architectuurstroming met een abstracte en geometrische vormgeving. De ontwerpen bestaan uit een orthogonale ruimtelijke compositie van vlakken en balken. Er werd gestreefd naar dematerialisering, dat wil zeggen dat de structuur van de materialen niet herkenbaar mocht zijn. Het kleurgebruik bestaat uit de primaire kleuren rood, blauw en geel en zwart, wit en grijs. Doelmatigheid stond centraal. De Stijl werd in 1917 opgericht door Vilmos Húsàr (1884 – 1960), Antony Kok (1882 – 1969) en Theo van Doesburg. De groep architecten en kunstenaars brachten van 1917 tot en met 1928 het tijdschrift De Stijl uit. Een van de bekendste kunstenaars was de schilder Piet Mondriaan Bekende Architecten: J.J.P. Oud en Gerrit Rietveld (foto)

FUNCTIONALISME/ NIEUWE BOUWEN/ NIEUWE ZAKELIJKHEID (1920-1970)

De constructie en uiterlijk worden bepaald door de functie van het gebouw. Alle uiterlijke kenmerken moeten een afspiegeling zijn van functionele elementen. Form Follows Function wordt het ook wel genoemd. Nieuwe materialen als beton en staal maakten de ontwikkeling van nieuwe bouwconstructies mogelijk, zoals skeletbouw. Door deze technologische innovaties kon een transparante en abstracte architectuur worden gerealiseerd. De architecten reduceerden gebouwen tot elementaire geometrische vormen met een horizontale belijning en overstekende daken. Decoraties en ornamenten waren taboe en werden vervangen door strakke witgepleisterde muren of glazen wanden. Bekende Architecten: J.B. van Loghem, Piet Elling, Gerrit Rietveld en Brinkman & Van der Vlugt (foto)

TRADITIONALISME/ DELFTSE SCHOOL (1925-1955)

De Delftse School streefde naar een architectuur die was gebaseerd op universele normen en waarden. Volgens de architecten van de Delftse School lag schoonheid juist in eenvoud en was een goede harmonie tussen massa, ruimte en lichtval belangrijk. Architectuur moest nederig zijn en vooral niet opvallen. De functie van een gebouw moest tot uitdrukking komen in de vorm. Vandaar werd ook een groot onderscheid gemaakt in de vormgeving van woonhuizen (simpel en ingetogen) en publieke gebouwen als stadhuizen en kerken, die juist monumentaal moesten zijn om hun functie te benadrukken. Kenmerkend voor de Delftse School zijn het vrijwel uitsluitende gebruik van baksteen, brede kozijnen en erkers (veelal in lichte kleuren), hoge gootlijnen, de hoge met pannen beklede daken tussen topgevels en het gebruik van natuursteen op constructief belangrijke punten. Bekende Architecten: Gijsbert Friedhoff en Marinus Jan Granpré Molière (foto)

BOSSCHE SCHOOL (1945-1980)

De Bossche School was een traditionalistische stroming die sterk gebaseerd was op getalmatige verhoudingen. De stroming had haar weerslag vooral op de katholieke kerkenbouw. De naam van de stroming is ontleend aan de 3-jarige Cursus Kerkelijke Architectuur die in de periode van de Wederopbouw tussen 1946 en 1973 in het Kruithuis te ‘s-Hertogenbosch werd gegeven. De opleiding was bedoeld om architecten te begeleiden bij de kerkelijke wederopbouw.Een belangrijk kenmerk van de Bossche School is de sobere vormgeving van de gebouwen. De verhoudingen werden met name bepaald door het zogeheten plastisch getal. Er wordt vooral gebruikgemaakt van beton, baksteen en hout. De architecten ontwierpen ook meubels en andere gebruiksvoorwerpen. Bekende Architecten: Dom Hans van der Laan (foto) en Jan de Jong

STRUCTURALISME (1960-1990)

De groep architecten van deze stroming wordt ook wel de Forum-groep genoemd naar het gelijknamige tijdschrift. Ze hebben aandacht voor de maatschappelijke effecten van het ontwerp. Kenmerken van het structuralisme zijn dat de gebouwen zijn opgebouwd uit een aantal, veelal dezelfde, kleinere eenheden. De kleinste eenheden zijn terug te voeren op de menselijke maat. De gebouwen hebben vaak een opbouw die doet denken aan een soort dorp of kleine stad. De projecten hebben meestal een decentrale opbouw, collectieve ruimtes en meerdere ingangen. De constructie is vaak zichtbaar. De projecten zijn vaak voorbereid op toekomstige uitbreidingen, dit kan door meer dezelfde elementen aan het gebouw te koppelen. Bekende Architecten: Piet Blom, Aldo van Eyck, Herman Hertzberger (foto)

HIGH-TECH (1970-1990)

Het idee van high-tech is dat de onderdelen van de gebouwen zoveel mogelijk in de fabriek worden geprefabriceerd. De installaties en constructie van de gebouwen worden als een soort ornament of sculptuur aan de buitenzijde geplaatst. Hierdoor krijgen de gebouwen het uiterlijk van een machine. Het gebruik van prefab-bouwelementen draagt ook bij aan de hoge mate van flexibiliteit van het interieur: onderdelen zijn eenvoudig te vervangen zodat de indeling nog verder aangepast kan worden. Evenals de dragende constructie worden ook technische bouwonderdelen als liften, roltrappen en leidingen aan de buitenzijde van het bouwwerk geplaatst. Een ander kenmerk van hightech-gebouwen is het gebruik van felle kleuren en staal, glas en aluminium als bouwmaterialen. Bekende Architecten: Bethem & Crouwel (foto), Cepezed, Zwarts & Jansma

ORGANISCH BOUWEN (1980-HEDEN)

Expressionistische stroming die zich afkeert van het Functionalisme. Basis van deze stroming de antroposofische wereldbeschouwing. Eigenschappen van deze stroming zijn een plastische vormgeving, het gebruik van natuurlijke materialen, zoals baksteen en hout, aan de natuur ontleende vormen, milieubewust bouwen en integratie met de omgeving. De vijfhoek is een veel gebruikte vorm. De architecten passen uitsluitend regenboogkleuren toe, dus geen zwart, grijs en wit. Bekende Architecten: Ton Albert en Max van Huut (foto)

NEORATIONALISME (1975-1990)

Geometrische vormen spelen een hoofdrol in deze stroming. Architecten streven net als bij het rationalisme uit het begin van de 20e eeuw naar een logische en objectieve benadering van het programma van eisen. Ontwerpen waren het droge resultaat van gebruikseisen, meetbare gegevens en de wetten van de economie. Het stratenpatroon werd helder en overzichtelijk, de rooilijnen en het dakenlandschap recht en ongebroken. De hoofdvormen van de gebouwen waren eenvoudig, de plattegronden functioneel en de gevels elementair en kaal, met vensters als strak repeterende gaten in de muur. Bekende Architecten: Abe Bonnema, Pi de Bruin, Jan Hoogstad, Wim Quist, Carel Weeber (Foto)

POSTMODERNISME (1980-1995)

Het postmodernisme kenmerkt zich in hoofdzakelijk door de herinvoering van historische verwijzingen; Vroegere bouwstijlen worden verwerkt in de architectuur, waarbij wordt gespeeld met kleuren, materialen en vormgeving. De historische stijlen worden door elkaar gebruikt en gemengd met de principes van de Moderne Beweging. Omdat de stijlelementen uit de historische context worden gehaald, komen ze veelal ironisch overkomen. Dat de architecten zich bevrijd voelen van de strenge principes van het modernisme uit zich in de terugkeer van de ornamentiek, het gebruik van vrije vormen en symmetrie. Bekende Architecten: Mart van Schijndel (foto) en Sjoerd Soeters

NEOMODERNISME (1980-HEDEN)

In de tweede helft van de jaren tachtig kregen jonge Nederlandse architecten opnieuw belangstelling voor de esthetiek van het modernisme, en dan vooral voor de ‘pionierstijd’ tussen de twee wereldoorlogen. Eerst citeerden architecten vrij letterlijk het vooroorlogs modernisme, maar in de jaren negentig wordt het neomodernisme minder streng in de leer. De abstracte, doosachtige vormen blijven maar het zogenaamde de-materialiseren wordt niet toegepast, de structuur van materialen mag weer zichtbaar zijn. Zo wordt, in tegenstelling tot het modernisme, regelmatig gebruik gemaakt van ‘vriendelijke’ materialen als baksteen en hout. Typische materialen van de moderne beweging als glazen bouwstenen en stucwerk worden ook gebruikt. Het stucwerk verschijnt niet alleen in het wit, maar ook in pasteltinten. Bekende Architecten: Francine Houben (Mecanoo) (foto), Jo Coenen

SUPERMODERNISME (1995-HEDEN)

De neutrale strakke gebouwen die behoren tot deze stroming hebben vaak minimalistische rechthoekige vormen. Deze “strakke dozen” hebben een transparante (klimaat)gevel of een semi-transparante doorschijnende gevel. In deze stroming speelt de 24-uurs economie en globalisering een grote rol. De nadruk ligt dan ook op utilitaire “non-places” als luchthavens, hotels en winkelcentra en is minder gericht op woningbouw. Bekende Architecten: Rem Koolhaas (OMA), Claus & Kaan, Meyer & Van Schooten, Ben van Berkel, Paul de Ruiter (foto: Jeroen Musch)

NEOTRADITIONALISME/ RETRO/ FUSION (1995-HEDEN)

In met name nieuwbouwwijken herleeft het traditionalisme als Neotraditionalisme of Nieuw Traditionalisme met historiserende woningen in traditionele materialen als baksteen, hout en keramische dakpannen. Het gaat in deze architectuur om herkenning, het vertrouwde en voortbouwen op het bestaande. Het neotraditionalisme is op grote schaal aanwezig in de Nederlandse VINEX woonwijken en geliefd bij een groot publiek. Bekende Architecten: Joris Molenaar, Wilfried van Winden , Ton Mulleners, Sjoerd Soeters, Friso Woudstra (foto)