Dom Hans van der Laan

Dom Hans van der Laan (Leiden, 29 december 1904 - Mamelis, 19 augustus 1991) was een Nederlandse benedictijner monnik en architect. Hij was een van de leidende figuren van de Bossche School. Zijn theorieën over getalsmatige verhoudingen in de bouwkunst, onder andere over het plastisch getal, hadden een grote invloed. Hij kan worden beschouwd als geestverwant van de 2e generatie van 'De Groep'. Van der Laan was een zoon van de Leidse architect Leo van der Laan. Ook zijn broers Jan van der Laan en Nico van der Laan werden architect. Hans studeerde van 1923 tot 1926 architectuur aan de Technische Hogeschool te Delft, waar M.J. Granpré Molière toen de scepter zwaaide. Granpré Molière beschouwde zijn katholieke geloof als onlosmakelijk verbonden met architectuur, een opvatting waar Van der Laan zich niet in kon vinden. Hij voltooide zijn opleiding niet en vertrok in 1927 naar de Sint-Paulusabdij in Oosterhout om monnik te worden. Later woonde hij in de Sint-Benedictusabdij te Mamelis bij Vaals. Als koster raakte hij geïnteresseerd in de vormgeving van liturgische voorwerpen en kerkelijk meubilair. Ook zijn belangstelling voor bouwkunst werd opnieuw gewekt. Hij probeerde een antwoord te vinden op de vraag aan welke maatstaven de esthetiek van een gebouw moest voldoen en ontwikkelde een theorie over getalsmatige verhoudingen, waarin het plastisch getal, een driedimensionale uitwerking van de gulden snede, een centrale rol speelde. Na de Tweede Wereldoorlog verzorgde Van der Laan, samen met zijn broer Nico, de lessen Kerkelijke Architectuur in het Kruithuis in 's-Hertogenbosch. De vroegchristelijke basiliek werd hierbij als voorbeeld gebruikt. Uit deze cursus kwam de Bossche School voort, een naam die door tegenstanders aan de kring rond de broers Van der Laan en hun volgelingen werd gegeven. Van der Laan maakte voor het inzichtelijk maken van zijn ideeën over verhoudingen gebruik van twee door hemzelf ontwikkelde hulpmiddelen; de abacus en de morfotheek, respectievelijk voor tweedimensionale en driedimensionale vormen. Van der Laan ontwierp slechts een klein aantal gebouwen, die bovendien niet allemaal werden uitgevoerd. In Helmond bouwde hij samen met zijn broer de achthoekige St. Jozefskapel (1948). De kerk van de Abdij St. Benedictusberg (1967) te Mamelis (bij Vaals) is zijn bekendste gerealiseerde werk. Zijn ontwerp voor de bibliotheek van dit klooster werd in 1989 bekroond met de Architectuurprijs Limburg. Ook de crypte, de sacristie en een kloosterhof van St. Benedictusberg zijn door Van der Laan ontworpen. De overige bouwdelen stammen uit de jaren '20 en zijn niet van zijn hand. In België bouwde de monnik o.m de Abdij van Roosenberg te Waasmunster (Zusters van Maria, 1975), evenals het moederhuis ter plaatse (na 1978), en de kerk Onbevlekt Hart van Maria op de wijk Wijnberg in Wevelgem. In Best is een patiowoonhuis naar zijn ontwerp gebouwd (huis Naalden, 1981). Het laatste werk dat naar zijn ontwerp gerealiseerd werd, is het klooster voor de zusters Benedictinessen bij Tomelilla in Zuid-Zweden (grotendeels gereedgekomen in 1995). De bekendste publicaties van Van der Laan zijn Het plastisch getal (Brill, Leiden 1967) en De architectonische ruimte (Brill, Leiden 1977). Bron: wikipedia.nl